De meeste wijn die je koopt, is gemaakt om binnen een paar jaar te drinken. Je hebt dus geen kelder nodig. Wel een paar gewoontes, zodat de fles smaakt zoals hij bedoeld is.
Koel en zonder schommelingen
Wijn houdt niet van warmte en al helemaal niet van wisselende temperaturen. Een vaste plek tussen 10 en 18 graden is prima. Een kast in de gang of de trapkast werkt beter dan de keuken, waar het overdag warm wordt en 's nachts afkoelt. Bewaar wijn ook niet naast de verwarming of op de koelkast.
Donker
Licht, vooral zonlicht, maakt wijn sneller oud. Daarom zitten veel wijnen in donker glas. Zet je flessen dus niet in de vensterbank, hoe mooi dat ook staat.
Liggend of staand
Zit er een natuurkurk op, leg de fles dan neer. Zo blijft de kurk vochtig en sluit hij goed af. Flessen met een schroefdop of kunststof kurk mogen rechtop staan.
Op de juiste temperatuur schenken
Bewaren is iets anders dan schenken. Frisse witte wijn en bubbels schenk je rond 6 tot 10 graden. Vollere witte wijn mag iets warmer, rond 10 tot 12 graden. Rood schenk je rond 14 tot 18 graden. Een half uur in de koelkast doet een rode wijn op een warme dag vaak goed.
Een open fles
Zodra de fles open is, begint de lucht zijn werk te doen. Doe er de kurk of een wijnstop op en zet hem in de koelkast, ook rode wijn. Haal rood een half uur voor het schenken weer uit de koelkast.
Ongeveer zo lang blijft een open fles goed: frisse witte wijn en rosé twee tot drie dagen, rode wijn drie tot vijf dagen, bubbels met een goede stop een tot twee dagen, port en andere versterkte wijn een paar weken.
Is hij nog goed?
Ruikt een open fles naar azijn, of smaakt hij plat en bruinig, dan is hij over zijn beste tijd. Weggooien hoeft niet meteen: in een stoofpot of saus doet hij het vaak nog prima.
