Rosé had lang een imagoprobleem. Zoet, roze en vooral iets voor op een terras in juli. Dat beeld klopt al een tijd niet meer. Er wordt meer droge rosé gedronken dan ooit, en niet alleen in de zomer.
Hoe is dat zo gekomen? En waar let je op als je er een kiest?
Hoe rosé gemaakt wordt
Rosé komt van blauwe druiven. De kleur zit in de schil, niet in het sap. Hoe langer sap en schil samen blijven, hoe dieper de kleur en hoe meer smaak de wijn krijgt. Wijnmakers doen dat grofweg op drie manieren.
- Direct persen: de druiven worden meteen geperst. Het sap is net even roze gekleurd. Dit geeft de lichtste, meest subtiele rosé.
- Kort weken: sap en schillen blijven een paar uur samen voordat het sap wordt afgetapt. De kleur wordt dieper, de smaak voller.
- Mengen: een beetje rode wijn door witte. Bij stille wijn mag dat in Europa bijna nergens, bij roséchampagne wel.
Waar het vandaan komt
In de oudheid was de meeste wijn eigenlijk rosé. Schillen gingen er snel af, dus de wijn werd nooit echt donker. De rosé zoals we die nu kennen, droog en licht van kleur, komt vooral uit de Provence in Zuid-Frankrijk. Daar maken ze al eeuwen weinig anders.
In de vorige eeuw kreeg rosé een zoete naam. In Amerika werd White Zinfandel groot: lichtzoet, fruitig, niet te veel alcohol. Veel mensen denken bij rosé nog steeds aan dat soort wijn. Sinds ongeveer 2000 draait dat. Provence en Languedoc gingen voor kwaliteit, en droge, frisse rosé werd de norm.
Waarom het zo goed valt
Rosé zit tussen wit en rood in. Het heeft de frisheid van een witte wijn en een beetje van het fruit van een rode. Daardoor past het bij veel eten: salades, vis, schaaldieren, iets van de barbecue, een simpele pasta. Je hoeft er niet lang over na te denken, en dat is precies de bedoeling.
Welke stijlen er zijn
Provence-rosé is lichtroze en droog, met aardbei, citrus en een beetje kruidigheid. Goed bij vis, salade niçoise en zachte kaas. Probeer bijvoorbeeld de Estandon Héritage Provence rosé.
Uit de rest van Zuid-Frankrijk komt rosé die vaak iets meer fruit en body heeft. De Domaine Piqueroque rosé is daar een goed voorbeeld van.
Spaanse rosado is dieper van kleur en steviger, vaak van garnacha of tempranillo. Die kan tegen tapas en gegrilde groenten. Kijk eens naar de El Coto de Rioja rosado.
Italiaanse rosato is vaak vol en fruitig, met kers en rode bes. Lekker bij pizza of pasta met tomatensaus.
En dan is er nog mousserende rosé. Die wordt steeds populairder, van roséchampagne tot cava en crémant. Kijk daarvoor bij mousserend.
Zo kies je een goede rosé
- Kijk naar de streek. Provence is een veilige keuze voor droog en licht. Spanje geeft meer kracht.
- Kijk naar het alcoholpercentage. Rond 11 of 12 procent is vaak frisser, 13 procent of meer geeft een vollere wijn.
- Drink hem jong. De meeste rosé is gemaakt om binnen een jaar of twee open te trekken.
- Schenk hem koel, tussen 8 en 12 graden. Te koud en je proeft weinig meer.
Tot slot
Rosé is geen trend meer, het is gewoon een wijnstijl. Een goede fles past net zo goed bij een doordeweekse maaltijd in oktober als bij een zomeravond buiten.
Twijfel je welke je moet nemen? App ons gewoon.
